Op donderdag 19 maart jl. vond de vierde Werklust expertmeeting plaats in het Cultuurgebouw te Hoofddorp. Werklust is een samenwerking tussen fotograaf Theo Baart en het Podium voor Architectuur Haarlemmermeer en Schiphol en is een groeiend project; in een reeks foto’s laat het de transformatie zien van Haarlemmermeer en omgeving. Werklust brengt deze regio in beeld als een infrastructureel landschap met ontwikkelingen die historisch gegroeid zijn of juist vanuit actuele inzichten zijn ontworpen, waarbij Theo Baart zich onder meer focust op plekken waarvan je kunt verwachten dat deze in de toekomst aanzienlijke veranderingen gaan doormaken. Tijdens deze vierde van in totaal vijf bijeenkomsten spraken Jan Rutten (communicatiedeskundige), Paul Jansen (commercieel directeur SADC) en Sander van Voorn (programmamanager Greenport Aalsmeer) over ontwikkelingen op het gebied van circulaire economie binnen de Westas.

De circulaire economie van de Westas

Verslag expert meeting

4

Biografie van een gebruikslandschap

Deelnemers

Jan Rutten JanRutten.com

Paul Jansen SADC

Sander  van Voorn Greenport Aalsmeer

Inge Sargentini  muze

Hans van der Kooi 8-13 Grafisch ontwerpers

Theo Baart Fotograaf

Barbara Luns Podium voor Architectuur

Yvonne  Lub Podium voor Architectuur

Rosa Romeyn Podium voor Architectuur

Paul Bos Boer Bos

Marjan Peters 8-13 Grafisch ontwerpers

Peter Heuvelink AM

Ton  de Leeuw Fruittuinen

John van den Heuvel BPD

Lidia Zepeda Gemeente Haarlemmermeer

Brenda van Leeuwen Podium voor Architectuur

Reinier Voskamp Greenport Aalsmeer

Renee Hartog verslaglegger

Sascha Maarschall Provincie Noord-Holland

Martin Borst

Daniela  Wullers Ymere

Frits Vermeijs Vrienden van het Podium

Age Vermeer DuraVermeer

Tessel van Toorn Gemeente Haarlemmermeer

Menno van der Valk DuraVermeer

John Stassen

Timothy Stassen

Renée Mekel

Wim van der Lee

Van links naar rechts:

Sander van Voorn (programmamanager Greenport Aalsmeer, Paul Jansen (commercieel directeur SADC en Jan Rutten (JanRutten.com).

Over Bouwlust

Locaties Bouwlust

Expert meetings

Reageren

Verslagen

1

3

2

4

5

Jan Rutten

Communicatiedeskundige

JanRutten.com

SADC, Havenbedrijf Amsterdam en projectbureau Westpoort hebben een Manifest opgesteld over de mogelijkheden van de Westas. Jan Rutten heeft als onderdeel daarvan een position paper opgesteld over de Westas en de circulaire economie. Langs deze Westas – het gebied van het Noordzeekanaal tot Schiphol – liggen op kleine afstand van elkaar vier aan elkaar geschakelde knooppunten: Schiphol Airport, Port of Amsterdam, Greenport Aalsmeer en de Dataport Amsterdam Internet Exchange. Een circulaire economie binnen die Westas zou dé manier kunnen zijn om de metropoolregio Amsterdam uit te laten groeien tot één van vijf top vestigingsregio’s van Europa. Hiervoor is wél een transformatie nodig. Want binnen een circulaire economie bestaat ‘afval’ niet; het afval van de één dient als grondstof voor de ander.

Paul Jansen

Commercieel directeur SADC

Sander van Voorn

Programmamanager Greenport Aalsmeer

De Westas, circulaire proeftuin

van de Metropoolregio Amsterdam

door Jan Rutten

 

Jan Rutten begint bij het begin: waar komt het concept voor de Westas eigenlijk vandaan? En wat zou je daar in de toekomst zoal kunnen doen? Een aantal jaar geleden, in 2011, deed Rutten een aantal projecten voor SADC. En die tijd, zo vertelt hij, ging het nogal slecht met de afzet van vierkante meters van bedrijventerreinen. “Eén van de ideeën die we toen hadden, was dat eigenlijk de samenhang tussen bedrijventerreinen aan de westkant van Amsterdam beter zou moeten worden belicht. Om op die manier al die individuele terreinen op te schalen tot één samenhangend gebied, waar de logistiek en de verbinding met Schiphol, de haven van Amsterdam, Greenport Aalsmeer, een belangrijke rode draad vormt. Tegelijkertijd speelde ook de gedachte, dat we die logistiek veel meer op de kaart zouden moeten zetten. De gemeente Amsterdam heeft zich de laatste jaren heel erg bezig gehouden met de zakelijke en financiële dienstverlening, zo ook met de creatieve industrie. Terwijl óók de logistiek - naast die zakelijke en financiële dienstverlening - een echte peiler is voor de economie in de Metropoolregio Amsterdam. Die gedachten vielen uiteindelijk op een bepaalde manier samen en zo werd de Westas als het ware geboren” vertelt Jan Rutten. “In eerste instantie noemden wij het ook de logistieke Westas. Omdat het accent heel erg op die logistiek en logistieke bedrijventerreinen lag. Maar langzaam maar zeker is dat geëvalueerd en zijn we dat logistieke aspect op een andere manier gaan definiëren. Niet zozeer in de zin van op- en overslag - pakjes die verplaatst en opgeslagen worden en vervoerd - maar door logistiek veel meer te definiëren in termen van organisatie van stromen; stromen goederen, grondstoffen, mensen, energie. En als je dan praat over stromen dan dient die link met een circulaire economie zich min of meer vanzelf aan.”

Echter, de meeste mensen, zo stelt Rutten, zijn zich totaal niet bewust van wat er aan die westkant van Amsterdam, ter hoogte van de haven, gebeurt. Is de Westas is misschien een ietwat vaag begrip? Rutten denkt van wel: “Westpoort en het havengebied zijn een soort van de machinekamer van Amsterdam. Er zitten nutsbedrijven, energiebedrijven, afvalbedrijven en nog een groot aantal kleinere bedrijven die zich bezighouden met de zogenoemde maakindustrie, waarbij grootschalig en machinaal materialen tot nieuwe producten worden verwerkt. Heel veel producten die nodig zijn in het Amsterdamse, worden gemaakt en geproduceerd aan die Westas. Maar dat is eigenlijk vrijwel onbekend bij het grote publiek.”

 

Een innovatief logistiek platform voor zowel grote spelers als kleine bedrijven

Wat de Westas zo interessant maakt, zo stelt Rutten, is juist die concentratie en nabijheid van al die verschillende soorten bedrijven, de knooppunten Schiphol, de haven van Amsterdam en Greenport Aalsmeer en de industriële bedrijvigheid. Dit soort bedrijven zijn namelijk hard nodig om zo’n circulaire economie van de grond te krijgen en te doen slagen; geen circulaire economie zonder maakindustrie. Voor het position paper over de Westas en de circulaire economie heeft Jan Rutten onderzocht wat er momenteel al zoal gebeurt op de Westas en welke kansen hier liggen. Toen werd duidelijk, dat dit al behoorlijk veel is. Rutten: “Als je alleen al kijkt waar het Havenbedrijf mee bezig is: het filteren van het schaarse goed fosfaat uit rioolwater als basis voor kunstmest, onderzoek naar bioaromaten op basis van afval en diverse onderzoeken naar ketens van grondstoffen en de mogelijkheden tot hergebruik; hoe zien deze eruit, waar komen de materialen vandaan en wie beslist over bepaalde processen. Een ander voorbeeld is het recyclingbedrijf Icova, dat door de grachten van Amsterdam een elektrische ‘schone’ boot laat varen om afval op te halen bij horecabedrijven en hotels. Ondertussen doet Greenport Aalsmeer onderzoek naar een warmtenet. Hoe kun je de warmte van de data-industrie, bijvoorbeeld, gebruiken om de kassen in Aalsmeer te verwarmen? En hoe kun je de CO2 die wordt uitgescheiden daar ook weer gebruiken voor de groei van bloemen?”

Kortom, op dit moment wordt er al ontzettend veel gedaan en onderzocht. Het gaat dan wel vooral om losse initiatieven van de afzonderlijke bedrijven. De samenhang ontbreekt nog, hoewel er hard wordt gewerkt om dit te verbeteren en alles meer en beter op elkaar af te stemmen. “Het gaat erom, hoe we in de toekomst al die kansen zo goed mogelijk kunnen benutten. Wat er daarbij in mijn optiek nog ontbreekt, is een platform waar die grotere bedrijven en de gemeente, maar ook de kleinere bedrijven – het midden- en kleinbedrijf ofwel de maakindustrie – gezamenlijk actief zijn. De ervaring tot nu toe is, dat het ontzettend moeilijk is om kleine bedrijven te betrekken bij de innovatieve ontwikkelingen. In de regio van de Amsterdam Economic Board was hier een programma voor, getiteld Biobased Connections. Mijns inziens zou het heel goed zijn als dit of een dergelijk programma wordt geadopteerd door de betrokken logistieke partijen om zo een dergelijk platform te creëren waar je zowel de grote spelers als de kleinere bedrijven en ondernemers kunt betrekken bij én laten meedenken over innovatie, circulariteit en biobased economy. Ik denk namelijk dat de Westas hiervoor alle denkbare kansen biedt en dat deze regio de proeftuin en uiteindelijk de motor zou kunnen worden voor de circulaire economie in de Metropoolregio Amsterdam”, besluit Rutten.

 

 

The Valley:

een hotbed voor circulaire economie

door Paul Jansen

 

Tweede spreker van vandaag is Paul Jansen, commercieel directeur bij SADC. Hij laat zijn licht schijnen over de gebiedsontwikkeling van Schiphol Trade Park en in het bijzonder over de ontwikkeling van het plangebied The Valley, waar een 'hotbed voor circulaire economie' moet worden gerealiseerd.  “SADC is momenteel bezig met een groot project; de ontwikkeling van 300 hectare langs de A4”, aldus Jansen. “Al jaren is het de vraag: wat kun je daar nou doen? Vol bouwen met grote logistieke loodsen of toch iets heel anders? Inmiddels zijn we zover dat we hebben vastgesteld dat een deel in ieder geval ingezet moet worden ten behoeve van circulariteit. Sterker nog: we willen hier de hotspot voor circulaire economie creëren.”

In navolging van Jan Rutten is ook Paul Jansen van mening, dat een circulaire economie dé oplossing is voor de toekomst, met een groeiende wereldpopulatie en alle bijkomende gevolgen en steeds schaarser wordende grondstoffen. Maar hoe kun je bedrijventerreinen en bedrijfspanden zo ontwerpen dat deze hieraan bijdragen?

 

Bedrijven bij elkaar brengen

Paul Jansen zoomt in op een bijzonder project getiteld: ‘The Valley’. Het is één van de onderdelen van een veelomvattend plan: Schiphol Trade Park, 300 hectare langs de A4 dat verschillende soorten functies kan krijgen, denk aan beplanting, landbouw, een groot datapark maar ook logistiek. Dit alles met de nadruk op circulariteit. Maar waarom die wens van een circulaire economie? “Ten eerste willen we toewerken naar een patroon waarin je als het ware loops maakt”, legt Jansen uit. “We willen dat materialen langer worden gebruikt voordat ze tot afval verworden, we willen voorkomen dat materialen bij hergebruik toch altijd een stukje slechter worden én we willen een onderscheid gaan maken tussen bio based materialen en techno based materialen. Zodat je bijvoorbeeld materialen die voor gebouwen worden gebruikt op zo’n manier kunt toepassen, dat je ze later weer kunt hergebruiken. Om die circulaire economie te kunnen realiseren, willen we nu eerst met allerlei betrokken partijen om de tafel gaan zitten. Samen kijken naar hoe iedereen nu omgaat met materialen en hoe dit anders zou kunnen, ten behoeve van die circulariteit. Op dit moment is het zo, dat alle bedrijven afzonderlijk streven naar het beste product dat zij kunnen leveren. Coca Cola wil de beste cola, Renault wil de beste auto en Ikea wil de het beste stoeltje. Wij willen dit soort bedrijven bij elkaar brengen, om als samenwerkend geheel te kijken hoe we bijvoorbeeld alle metalen, plastics maar ook afvalwater op een goede manier steeds weer kunnen hergebruiken. Om dit bereiken, denken we dat de wereld als het ware een hotbed voor circulaire economie nodig heeft. Want afzonderlijk van elkaar is iedereen wel bezig met duurzaamheid, maar daar blijjft het bij. Wij willen hier een plek creëren waar alle afzonderlijke ontwikkelingen en ideeën bij elkaar komen. Dat wil je op lokaal niveau doen, maar tegelijkertijd op wereldniveau.”

 

Grondstoffen moeten grondstoffen blijven

Om dit alles te bereiken werkt SADC samen met de Ellen MacArthur Foundation, een organisatie die ruim honderd bedrijven bij elkaar heeft gebracht die zich allemaal met circulaire economie bezighouden, waaronder de grote Nederlandse bedrijven Desso, Philips, BAM, Rabobank en DSM. Met elkaar willen deze bedrijven zoeken naar manieren waarop voorkomen kan worden dat kostbare grondstoffen afval worden. “Dat is de meest simpele definitie van circulaire economie: je wilt dat grondstoffen grondstof blijven en geen afval worden”, verduidelijkt Jansen. “Wat we hebben bedacht, is dat we niet meer op basis van producten willen samenwerken maar op basis van materialen. Waarbij we toewerken naar ‘materiaalhoeves’. Ofwel: grote bedrijven die bovenaan de markt staan, bundelen de krachten in de zoektocht naar een oplossing voor de afhankelijkheid van grondstoffen. Want, we hebben gezamenlijk die grondstoffen nodig; hoe kunnen we bereiken dat we deze ook behouden? Een mooi voorbeeld: Renault overweegt om zijn auto’s niet meer te verkopen maar uitsluitend nog te leasen. Waarom? Omdat Renault grip wil houden op de grondstoffen en al het staal en aluminium niet kwijt wil. Om zo te voorkomen dat er afhankelijkheid ontstaat van de inkoop van grondstoffen. Dat is een nieuwe manier van denken.”

 

Tracking & tracing

Paul Jansen vervolgt: “In eerste instantie hebben we bedacht dat we met name voor twee materiaalstromen - plastic en cellulose - dit plan verder willen ontwikkelen. Maar inmiddels gaan die ontwikkelingen zo hard dat we ook al kijken naar de mogelijkheden met betrekking tot metaal. Een ander speerpunt: tracking & tracing. Daar zit immers heel sterk die verbinding met logistiek in verankerd. Op het moment dat je bijvoorbeeld een auto verkoopt en deze rijdt weg, ben je als fabrikant je grondstoffen kwijt. En dat willen we in de toekomst voorkomen. Zorgen dat je steeds weet waar je grondstoffen zich bevinden en of je ze uiteindelijk weer terug kunt krijgen. En hoe. Ook dàt is een stukje circulaire economie, dat wij hier, met name op die Westas, verder willen uitwerken. Daarom is ons streven, om hier ontmoetingsplekken te creëren waar bedrijven en individuen met elkaar verder kunnen denken en brainstormen over mogelijkheden en oplossingen en hierbij tot gemeenschappelijke punten komen. Wij denken dat zo’n hotbed een enorme kans is voor de regio én dat dit zowel past binnen de visie voor de Westas als bij de Havenvisie 2030. Met name de combinatie van bestaande bedrijven en starters biedt mogelijkheden. Door bestaande, grote bedrijven te koppelen aan kleine, beginnende ondernemingen en zo gezamenlijk nieuwe, breed gedragen ecosystemen te creëren.” En natuurlijk zijn er bedreigingen, geeft Jansen toe. De grootste, zo denkt hij, is het feit dat er een begin gemaakt moet worden. Er is immers nog niets, er zijn geen handvatten. “En ja, hoe start je zoiets? Waar begin je? Dat is waar we nu ontzettend hard mee bezig zijn. Met de zoektocht naar dé manier om zo’n project van de grond te krijgen en het ook te laten slagen. Daar is geen eenvoudige en eenduidige manier voor. Want enerzijds moet je een echt goed concept hebben, maar dan ben je er nog niet; je zult ook mensen enthousiast moeten weten te maken voor dat concept. Dat is nu ons belangrijkste doel. De komende jaren zullen wij ons keihard inzetten om The Valley zo goed mogelijk te gaan ontwikkelen”, concludeert Paul Jansen.

 

 

Greenport Aalsmeer:

versterking van de internationale concurrentiepositie van de sierteelt

door Sander van Voorn

 

Tot slot is het de beurt aan Sander van Voorn. Hij is als programmamanager bij Greenport Aalsmeer verantwoordelijk voor de voortgang van het activiteitenprogramma voor het behoud en de versterking van de internationale concurrentiepositie van de sierteelt in de regio Aalsmeer. Hij gaat in op de mogelijkheden voor een CO2- en warmtenet voor de tuinbouw. “Circulaire economie is voor onze sector op dit moment zeer relevant”, zo stelt hij. De Greenport Aalsmeer bestaat uit vijftien samenwerkende partijen, waaronder het volledige bedrijfsleven, kennis- en onderwijsinstellingen en overheden die, in dit geval, samenwerken aan één doel: versterking van de concurrentiepositie van de bloemen- en plantensector in de regio Aalsmeer. Denk aan FloraHolland, de Bloemenveiling Aalsmeer, LTO, Rabobank en het Wellantcollege. Greenport Aalsmeer is meer dan alleen de gemeente Aalsmeer, benadrukt Van Voorn. Haarlemmermeer maakt er namelijk onderdeel vanuit, net als nog vijf andere gemeenten (uit drie provincies) waaronder Amstelveen en Nieuwkoop. De belangrijkste vertegenwoordigers zijn de koepelpartijen uit het bedrijfsleven, die samen alle bedrijfstakken binnen de sierteelt vertegenwoordigen. Maar wat doet die Greenport Aalsmeer nu precies? “In feite zorgen wij voor de versterking van het zogenaamde sierteeltcluster, hetgeen eigenlijk alle bedrijvigheid tussen het zaadje en de vaas betreft”, legt Van Voorn uit. “Van veredeling tot teelt, van teelt tot transport tot veiling en verkoop aan de consument. Het feit dat alle schakels in deze keten zo dicht bij elkaar zitten en zijn verbonden, zorgt ervoor dat die keten zeer sterk is. En dat de bedrijven binnen die keten eigenlijk niet meer zonder elkaar kunnen. Zodoende zijn wij gefocust op het versterken van alle schakels binnen dat cluster. En dat doen wij, door de randvoorwaarden van het bedrijfsleven te verbeteren. Zodat alle bedrijven beter kunnen functioneren. We werken, kortom, aan een gunstig vestigingsklimaat voor de sierteelt in de regio.”

 

Inzetten op uiteenlopende thema’s

Hoe doet Greenport Aalsmeer dat? Volgens Sander van Voorn, door zich in te zetten voor en op zeer uiteenlopende thema’s. “Bijvoorbeeld beginnend bij de basis; door ervoor te zorgen dat onderwijs en de arbeidsmarkt op elkaar aansluiten. Een school kan voorzien in hoge kwaliteit lessen, maar als docenten de leerlingen niet opleiden volgens en voorbereidend op de nieuwe ontwikkelingen in het bedrijfsleven, dan sla je de plank mis en worden er, voor de studenten en de sector, kansen gemist. Daarom proberen wij te bewerkstelligen dat het groen onderwijs continu mee verandert en ontwikkelt met de arbeidsmarkt. Een ander belangrijk thema is bereikbaarheid en logistiek. Ter illustratie: op het moment dat je een bloem knipt, gaat deze eigenlijk al dood. Je wilt de bloem dus hoe dan ook zo snel mogelijk bij de consument krijgen. Ook imago en positionering zijn belangrijke punten, die met veel thema’s overlappen. Eerlijk is eerlijk; het huidige imago van de sierteeltsector helpt ons niet. Jongeren kiezen niet snel voor een functie in de tuinbouw omdat er een vertekend en eenzijdig beeld bestaat van de sector. Jongeren zien zichzelf direct op hun knieën bloemen plukken en bollen zaaien. Maar dat is al lang niet meer aan de orde. Wij maken ons sterk om dit beeld te veranderen. Daarnaast zetten wij ons in voor planologische duidelijkheid voor ondernemers. En uiteraard maken wij ons sterk voor verduurzaming en innovatieversnelling.”

 

Innovatieversnelling

Het innovatieklimaat in de Greenport Aalsmeer was tot voor een aantal jaren geleden niet optimaal, constateert Sander van Voorn. “In feite waren de contacten tussen het bedrijfsleven en kennisinstituten tot 2012 ongeorganiseerd. Toen wij dit vier jaar geleden vaststelden hebben we Europese subsidie aangevraagd, om innovatie te kunnen stimuleren in deze regio. Uiteindelijk hebben we 2,5 miljoen euro gekregen. Dit budget kunnen we inzetten op kennisvalorisatie: het verbinden van kennisinstituten aan ondernemers binnen onze regio, met als doel de kennis om te zetten in werkbare innovaties. Dat doen wij door middel van de Innovatiemotor Greenport Aalsmeer. Met als doel: de kennis die zich bevindt op de universiteiten en andere kennisinstituten zoals TNO terecht laten komen bij en laten valideren door ondernemers. Onder meer door het organiseren van bijeenkomsten zoals Blooming Cities, waarbij ruim 150 partijen uit de groene sector bij elkaar komen om te praten over de mogelijkheden van hun sector. En naderhand de woorden ook daadwerkelijk om te zetten in daden. De ideeën en samenwerkingen die daar ontstaan, kunnen wij een stap verder helpen.”

 

Maar wat is nu de concrete relatie tussen de circulaire economie en Greenport Aalsmeer?

Ook in de sierteeltsector is circulariteit een actueel thema. Greenport Aalsmeer is momenteel aan het onderzoeken wat dit kan betekenen voor de sector. “Wij noemen dat new business, ofwel bio based industry”, aldus Sander van Voorn. “New business is voor ons heel interessant. Wat de tuinbouw nu al doet, is ervoor zorgen dat bloemen en planten veel sneller en beter in die vaas op tafel terecht komen, maar tegelijk duurzamer, sneller, biologischer en bijvoorbeeld in andere geografische regio’s. Dat is de markt waarbinnen wij ons nu bewegen. Daarbij wordt binnen de sector vooralsnog wel vergeten, dat er veel meer afzetmarkten zijn voor de sierteelt. Denk aan de farmaceutische industrie en de mode-industrie. Een indigoplant bijvoorbeeld, bevat kleurstoffen die kunnen worden gebruikt als basis voor de kleurstof van jeans. Of denk aan galantamine - een product dat wordt gemaakt van de bestanddelen van narcissen - dat kan worden toegepast in een medicijn dat het proces van dementie kan vertragen. Algen zijn ook heel interessant, omdat zij Omega3 produceren, een stof die kan worden ingezet in de voedselindustrie. En één van de grootste kansen ligt misschien wel in het toepassen van groen in gebouwen, bijvoorbeeld scholen. Zo kan het behangen van wanden met een bepaald soort mos of plant, bijdragen aan het koelen dan wel verwarmen van ruimtes. Bovendien hebben bloemen en planten en groene omgevingen direct effect op de leefomgeving van bejaarden maar ook van kinderen en werknemers. Op schoolpleinen die groener zijn, blijken kinderen rustiger te zijn en minder ruzie te zoeken. Dat is wetenschappelijk bewezen. Dit is slechts een kleine greep uit de oneindige nieuwe mogelijkheden voor het toepassen van sierteelt waar de effecten dus wel van bekend zijn, maar waar de markten nog niet zijn ontdekt en bewandeld. En die new business, die compleet nieuwe markten, dat is dé kans voor de sierteeltsector om bestaansrecht te blijven houden.”

 

Verslag Renee Hartog 2015

www.reneehartog.nl

Partners