Op dinsdagavond 9 juni jl. vond de vijfde Werklust expertmeeting plaats, dit keer heel toepasselijk midden in het gebied rondom Hoofddorp Centraal, in de oude gymzaal aan de Prins Hendriklaan. Werklust is een samenwerking tussen fotograaf Theo Baart en het Podium voor Architectuur Haarlemmermeer en Schiphol dat de transformatie van Haarlemmermeer en omgeving van de afgelopen decennia heel letterlijk in beeld brengt.

Tijdens deze allerlaatste bijeenkomst van deze reeks reflecteerden Hans Leeflang, Paul Bos en Wim van der Lee over de toekomst van de ruimtelijke ordening. Hans Leeflang (directeur Strategie, Kennis en Innovatie van het ministerie I&M) sprak daarbij vanuit een Haags perspectief over de verandering in de systematiek van het ruimtelijk ordenen, de relevantie van de instituties in de netwerksamenleving en de multirol van de overheid. Paul Bos (Boer Bos) sprak vervolgens over de AirportFarm en de rol van voedsel in relatie tot ruimtelijke ordening anno nu. Aansluitend vertelde Wim van der Lee (procesmanager gemeente Haarlemmermeer) over Hoofddorp Centraal, een open proces waarbij bewoners samen met vastgoedeigenaren, ondernemers, werkenden en andere betrokkenen ontwerpen aan drie perspectieven voor het gebied tussen station Hoofddorp en het centrum.

 

Verslag expert meeting

5

Biografie van een gebruikslandschap

Deelnemers

 

Over Bouwlust

Locaties Bouwlust

Expert meetings

Reageren

Verslagen

1

3

2

4

5

 

 

Theo Baart

(fotograaf)

Over Werklust

 

Fotograaf Theo Baart trapt de expertmeeting vervolgens af, met een kleine introductie over de essentie van dit unieke en beeldende project: “Werklust gaat over de ruimtelijke transformatie van dit gebied. En ‘dit’ staat voor de driehoek tussen Schiphol, de veiling van Aalsmeer en de zeehaven van Amsterdam”, zo steekt hij van wal. “Zelf denk ik soms dat dit de navel van de wereld is. Al weet ik wel dat sommige mensen daar anders over denken... Hoe dan ook is het een gebied met een ongelooflijke omloopsnelheid, waar ongelooflijk veel gebeurt. Het kent geen maat, kent geen grenzen en het verandert continu en permanent. Die wrijving en spanning die ontstaan als gevolg van dat wat gepland is en hoe dat zich in de praktijk uiteindelijk ontvouwt, dàt fascineert mij enorm.”

Theo Baart kijkt naar veranderingen van gebied, veroorzaakt door infrastructuur. Werklust zal uiteindelijk tastbaar worden gemaakt in de vorm van een 350 pagina’s tellend boek met veertig jaar fotografie; de oudste foto komt uit 1975. Theo Baart: “Het boek Werklust begint bij het traditionele polderlandschap van de jaren tachtig en eindigt in het heden. Het verbeeldt de worsteling van de polder, die langzaam verandert in een dorp en daarna de worsteling van een dorp dat maar blijft groeien en uiteindelijk zo’n 70.000 inwoners telt. Dan is het een stad en moet het als het ware de korte broek uitdoen en pantalon aantrekken. Zo’n ontwikkeling gaat niet vanzelf. Dat is wat ik probeer te laten zien.”

 

Van twee kanten

De stelling van dit boek, is eigenlijk dat dit gebied één groot infrastructureel knooppunt is geworden dat barst van de ontwikkelingen, in alle soorten en maten. Theo Baart kijkt, zo geeft hij toe, wel deels vanuit een lokaal perspectief. Maar hij realiseert zich daarbij wel degelijk, dat dit gebied zeker bovenregionaal van invloed is en vaak ook nationaal, hetgeen een aanzienlijke concurrentiepositie met zich meebrengt. “Als er in Dubai een nieuwe luchthaven wordt gebouwd of als er overeenkomsten worden gesloten tussen KLM en Schiphol, dan heeft dat betekenis voor dit gebied, waardoor het al snel op de nationale rijksagenda staat”, geeft Theo Baart als voorbeeld. “Maar wat ik nou zo aardig vind, is dat je daarnaast ook nog gewoon elementen ziet die passen bij de geschiedenis van dit gebied en hoe dingen hier van oudsher worden gedaan. Dus die beïnvloeding komt van twee kanten. En die verschillende agenda’s botsen soms met elkaar, die schuiven over elkaar heen. Dat levert uiteindelijk een gebied op als Hoofddorp; geen onaantastbaar gebied zoals IJburg. Dat is ontworpen, klaar, af en daar verandert niets meer aan. Maar hier? Hier is het één en al wrijving en dat maakt het zo boeiend. Want hoe los je zaken op? Je kunt die worsteling letterlijk waarnemen. Je kunt het beleven, voelen. En dat wil ik vastleggen en laten zien.”

 

Hans Leeflang

(directeur Strategie, Kennis en Innovatie van het ministerie I&M)

Durven doen

 

Hans Leeflang gaat het hebben over Het Jaar van de Ruimte. Meer achtergrondinformatie over dit initiatief rondom de toekomst van de ruimtelijke ordening is te vinden op: www.wiemaaktnederland.nl

Hoewel hoog overvliegend, heeft het verhaal van Hans Leeflang zeker verbinding met het project Werklust. Leeflang: “Mijn kernvraag voor deze bijeenkomst is eigenlijk precies dàtgene wat Theo voortdurend aanhaalt: hebben we nu wel goed gekeken?”

 

Het Jaar van de Ruimte is een initiatief van een collectief van mensen die zich druk maken over het feit dat er echt iets moet worden uitgevonden – zowel overheden als private investeerders - als het gaat over de grondslag van de toekomst van dit land. Er is een nieuw ruimtelijk evenwicht nodig, een nieuwe vorm van planning die de gebruiker centraal stelt”, zo meent Hans Leeflang. “We bevinden ons nu aan het eind van een planningstraditie. De manier waarop voorheen richting aan de ruimtelijke ordening werd gegeven, zo werkt dat anno 2015 niet meer. De vraag is dan uiteraard, hoe dan wel?” Volgens Hans Leeflang zit het ‘m vooral in het ‘verdemocratiseren’, het breed maken van het plannen.

In de jaren tachtig werden er grote beleidsnota’s opgesteld voor gebiedsontwikkeling, zo blikt Leeflang - die hier aan meewerkte - terug. “Die jaren tachtig, dat was een bijzondere tijd.  Zeker als je met de kennis van nu terugkijkt. Er zijn destijds allerlei plannen gemaakt, ook voor Nederland in internationaal verband. Dit alles vanuit een gevoel dat er ‘iets’ stond te gebeuren; denk aan plannen op het gebied van infrastructuur, Nederland als distributieland, als waterland. Veel van die plannen zijn ook daadwerkelijk gerealiseerd en hadden Nederland echt op de kaart kunnen zetten. Echter, niemand had rekening gehouden met een einde van de Koude Oorlog. En toen viel die muur.”

 

Kom op! Van piramide naar pannenkoek

De vraag die Hans Leeflang stelt, is: in wat voor een tijd leven we nu? “Het lijkt erop of er ook een muur dreigt te gaan vallen”, zo stelt hij, “alleen ietwat dichterbij: een muur in onze eigen samenleving. Er zijn vaste zaken aan het kantelen. Zo gaan we vanuit een ‘piramide samenleving’ langzaamaan naar een ‘pannenkoek samenleving’. Al is het niet zo, dat alle piramides zullen verdwijnen; er zullen altijd instituties zijn. We bouwen in loop der jaren verschillende cultuurlagen op. En we werken nu aan een nieuwe laag, eentje van communicatieve zelfsturing. Mijn kinderen zitten daar al volop in en ik voel – zeker in mijn werk als Haagse ambtenaar – dat ik nog een beetje in twee werelden leef. De grote opgave voor de overheid, waar ik deel van uitmaak, is om de samenleving centraal te stellen. Dat lijkt een heel erg open deur, maar zo is het wel. En hoe eenvoudig het ook klinkt, gek genoeg is dat een heel lastige verandering. Tegen de mensen van buiten de overheid zou ik willen zeggen: heb een beetje geduld met ons. Maar als je bij de overheid werkt zou ik juist willen roepen: kom op! Er moet namelijk écht iets veranderen. Dus durf iets te doen, want anders wordt het publieke domein steeds minder relevant. We moeten de manier waarop we vandaag de dag besturen heel precies onder de loep leggen. Momenteel zie ik namelijk heel veel overheden twijfelen. En als politici zeggen: ‘wij zijn alleen maar aan het uitvoeren’ en dit zelfs zeggen met een beetje angst voor de langere termijn, dan is er nog behoorlijk wat werk aan de winkel. Toch ben ik zeer optimistisch, want we gaan hoe dan ook door met ontwikkelen. Maar het zal wel anders gaan dan bijvoorbeeld in de jaren tachtig. De opgaven zijn nu eenmaal anders.”

 

Inzoomen en uitzoomen

Voor een overheid is het blijkbaar lastig om te veranderen. Leeflang probeert dit te duiden: “Het is niet een kwestie van iets ouds afleren en iets nieuws aanleren. We hebben immers nog steeds ‘ouderwetse’ dingen nodig. Zo zal wetgeving nodig blijven. Maar wat er bijkomt, is dat alles wat we doen, luisterend en samenwerkend faciliterend zullen moeten doen. Vanuit een bureaucratische traditie en gedachte is dat een lastige omslag. De overheid moet de burger centraal stellen, maar ook het grote geheel controleren en sturen, zoals iets reusachtigs als het klimaatprobleem. Kortom, je moet kunnen inzoomen en uitzoomen. Dat is nu eenmaal ingewikkeld. Persoonlijk ben ik ook erg benieuwd hoe anderen dit ervaren. Zo vraag ik me af, wat je zou mogen verwachten vanuit het publieke domein qua wat er aan planning gebeurt?”

 

Volgens Hans Leeflang zit de oplossing in ieder geval niet in een volgende grote nota. Wat wel houvast kan bieden, denkt Leeflang, is: een duidelijke opgave en de manier van het organiseren van processen. “Je kunt niet bottom up eens kijken wat iedereen vindt. Daar zijn professionals voor nodig. Je moet immers weten hoe het zit met bijvoorbeeld zeespiegelrijzing en waterafvoer. Maar, probeer wel zoveel mogelijk partijen te betrekken, te motiveren om zo draagkracht te creëren”, zegt Leeflang. “Dus weg met de oude manier waarbij de ambtenaar die het meeste geld kan vrijmaken voor infrastructuur het meeste aanzien geniet en de beslissingen in zijn eentje maakt. Dat is volgens mij een failliete manier. Vervolgens moet je durven doen, moét je actie ondernemen. Als overheid moet je signaleren en zien waar de toekomst aan het groeien is. Waar is wie bezig met het Nederland van 2040? En daar kom ik dicht in de buurt van Theo’s grote kwaliteit: heel goed kijken. Weg uit die Haagse torens en weg van het abstracte concepten ontwikkelen. En naar buiten, het land in. Goed kijken naar wat er momenteel gebeurt in Nederland. Welke mensen willen wat en kunnen wat?”

 

Goed bedacht, onhaalbaar in de praktijk

Er zijn echter ook opgaven die zeer lastig zijn. Leeflang: “Neem nu het energietekort. Van alle deskundigen die zich de afgelopen tijden daarmee hebben bezig gehouden, heeft niemand zich gerealiseerd wat dit betekent voor de ruimtelijke inrichting van ons land. Een voorbeeld: zelf ben ik betrokken bij de planontwikkeling van het gebied Apeldoorn/Deventer/Zutphen. En als daar de doelstelling van het energieakkoord letterlijk zou moeten worden vertaald, dan betekent dat in de praktijk dat hier 1761 windmolens moeten worden toegevoegd. En dat in een landschap dat ongelooflijk kwetsbaar en prachtig is. Moet je nagaan; momenteel wordt er al een waanzinnige strijd gevoerd over twee (!) windmolens bij Deventer. En zo zijn er nog een aantal vrijwel onhaalbare opgaven die inhoudelijk goed zijn bedacht, maar onhaalbaar blijken in de realiteit.”

Als je dit wilt voorkomen, moet je interactief kijken, stelt Leeflang. “Je moet letterlijk om de landkaart heen gaan zitten. Je moet voortdurend kijken hoe je dingen kunt verbinden met elkaar. De toekomst van de luchthaven moet bijvoorbeeld samengaan met het wonen, het werken, het groen. Maar hoe doe je dat dan? Je zult moeten kijken wat er gebeurt en daarop durven inhaken, meedoen, actie ondernemen, durven proberen. In Parkstad Limburg bijvoorbeeld, daar gebeuren momenteel goede dingen. Daar moeten we van leren en ons aan verbinden. En het aardbevingsgebied in Oost-Groningen, ook daar moet het gaan gebeuren. Vooral. Als het dààr lukt om een aantal dingen aan elkaar te koppelen – denk aan het vertrouwen van de mensen winnen, veiligheid garanderen én de energietransitie regelen, waarbij in het meest gunstige geval ook nog even rekening wordt gehouden met de cultuurhistorie - dan wordt dit gebied ongelooflijk interessant en veelbelovend voor de toekomst.

 

Casusadoptie op lokaal niveau

Zoals Hans Leeflang het ziet: het gaat over innovatie, over waar kleine plantjes groter worden. En zien waar nieuwe echt Nederlandse producten met potentie ontstaan. “Ik geloof dat die manier van naar ontwikkelingen kijken en signaleren, ons heel erg kan gaan helpen in de toekomst. Dat maakt het bovendien economisch internationaal interessant. Daarbij moet het zoveel mogelijk op de plek zelf gaan gebeuren”, zo benadrukt hij. “Localism zoals de Britten dat noemen. Als je bestuurlijk bezig bent, zit je feitelijk vaak een laag hoger, al dan niet in de spreekwoordelijke toren. De kunst is dan, om wél te signaleren en te zien en echt te ervaren wat er in een gemeente, op de plek zelf, gebeurt. Om die energie te voelen, er dicht op te zitten. Wat ik merk bij Het Jaar van de Ruimte, is dat er op het gebied van groen, milieu, innovatie en duurzaam voedsel veel mensen op lokaal niveau actief zijn, die zich ook zouden willen inzetten op rijksniveau. Hetzelfde geldt voor onderwerpen als cultuur en cultureel erfgoed. Van dat enthousiasme en de kennis van die mensen ter plaatse moet je gebruik maken. Als je dat voelt als overheid, dat daar energie zit, dan kun je die verhalen daar op lokaal niveau verbinden met elkaar. Voor een hoger - regionaal of nationaal - doel. Maar, dat is niet gemakkelijk.”

‘Casusadoptie’, zo noemt Hans Leeflang deze planningsstijl. “Het is een inkoppertje, maar we moeten gewoon goed kijken en vooral blíjven kijken. Want het is niet per definitie zo dat iets wat kansrijk lijkt, dat ook is. En dat het Nederland van 2040 vanzelf wel vorm gaat krijgen. Het kan bijvoorbeeld niet waar zijn, dat we nu met elkaar hebben besloten dat het dossier Schiphol wel even gesloten is. Dat daar voorlopig niet over hoeft te worden nagedacht. Volgens mij is die toekomst namelijk absoluut niet verzekerd en dus zou Schiphol continu op de agenda moeten staan. Daarom is Theo’s toevoeging aan Het Jaar van de Ruimte zo van belang: we gaan nog eens even goed kijken met elkaar.”

 

Paul Bos

(boer en coach/ondernemer)

AirportFarm: van koffiedik naar paddenstoelen en oesterzwammen

dankzij leegstand

 

Paul Bos, ook wel bekend als ‘Boer Bos’, is inmiddels een vertrouwde naam als het gaat om natuurlijke vernieuwing in de metropoolregio. Geboren in polder, in 1960, waarna hij twintig jaar geleden vertrok en sinds vijftien jaar - na een loopbaan in de journalistiek en communicatie - weer is geland op zijn geboortegrond. Sinds zijn ‘terugkeer’ werkt Paul Bos vanuit een bepaald ordeningsprincipe dat hij ‘vooruit naar vroeger’ noemt en dat hij vandaag graag met de aanwezigen deelt.

“Hoe kunnen we met z’n allen vooruit naar vroeger?”, dat is de vraag die Paul Bos als eerste zichzelf en de aanwezig stelt. “En vroeger betekent hier: inclusief”, benadrukt hij. “Dat wil zeggen dat je vroeger niet uitsluit en zegt: alleen maar vooruit, of alleen maar terug naar vroeger. Nee, we gaan voorùit naar vroeger.”

Hij illustreert zijn principe met een recent voorbeeld: “Zo’n driekwart jaar geleden constateerde ik in mijn eigen buurtje, dat is ter hoogte van de Aarbergerweg en de Meerlanden, een enorme verrommeling en leegstand. Ik vroeg me toen af: hoe zou ik die mensen nou eens kunnen helpen met vooruitgaan naar vroeger? Mijn vader was vroeger ouderling van de gereformeerde kerk en ging elk jaar de deuren langs. En ik dacht: zou dat een leuk principe zijn, om gewoon weer eens aan te bellen bij je buren? Niet met de waarheid op zak, wat mijn vader destijds misschien wel deed, maar gewoon met de vraag: kan ik je ergens mee helpen? Zonder introductie in de trant van ‘ik ben een communicatieman’ of ‘ik ben een ondernemende boerenzoon’. Nee gewoon vragen: kan ik je ergens mee helpen?”

 

Goed in groei

De afgelopen zes maanden heeft Paul Bos zo’n zestig mensen uit zijn buurt gesproken, onder meer over de reconstructie tuinbouw, de ontwikkeling en bouw van de Kaagbaan en nog veel meer uiteenlopende onderwerpen die er spelen in dat buurtje en de betrokkenen aangaan. Want waar dit gebied behoorlijk interessant is voor experts, is het voor mensen die er al dan niet van oudsher wonen en werken redelijk hopeloos. Om maar een klein voorbeeld te noemen: door economische uitzichtloosheid trekken kinderen weg richting de grote stad, waardoor er geen opvolgers zijn voor de tuinbouwkassen. Ondanks alle nadelige gevolgen van de ruimtelijke ordening is er in de afgelopen maanden gezamenlijk toch een soort van DNA gedefinieerd. Paul Bos: “Als je door die leegstand heenkijkt, zie je ondernemers die goed zijn in groei. Ze zijn stuk voor stuk in staat om iets te laten groeien. Of het nu gaat om bloemen en planten of communicatie, in wezen heeft dat buurtje verstand van groei. En dan komen we in aanraking, of beter gezegd in botsing met de ruimtelijke ordening, waarbinnen ooit, zo’n dertig jaar geleden, dit en dat en zus en zo is bedacht. En als die ondernemers daar dan een andere of volgende stap willen maken, dan mag dat niet. Tsja. Dat stagneert.”

 

Vragen verbinden

Een half jaar later zie, door de hulp en interventie van Paul Bos, in dit zelfde buurtje een ware hotspot ontstaan voor circulaire economie. Zo is daar onlangs de allereerste algenkwekerij geopend, in oude kassen in Rijsenhout. Daar blijft namelijk elke dag veel c02 in de lucht hangen, iets waar algen heel goed bij groeien. “We zien daar, eigenlijk met dank aan de leegstand, iets nieuws ontstaan. Veroorzaakt door slechts te vragen: ‘kan ik je ergens mee helpen?’ en vervolgens die vraag te verbinden.” Boer Bos is gefascineerd door de natuur die, zoals hij zegt, ‘zelf altijd de makkelijkste weg vindt’. “Neem nu mijn eigen schaapskudde. Die maakt van die olifantenpaadjes. Die beesten nemen niet de wandelroute die mensen op de tekentafel hebben bedacht.” Bos laat zich niet alleen fascineren maar ook leiden door die natuur, waarin hij verbindingen zoekt voor het creëren van oplossingen voor hedendaagse maatschappelijke problemen. “Dit is mijn manier om dingen bij elkaar te brengen”, zo zegt hij. “Het gaat veel over groen, over stadslandbouw, over cultureel erfgoed. Mensen en bedrijven, van grote partijen als de Rabobank en Schiphol tot kleine ondernemers en gewone burgers, gaan weer op zoek naar zichzelf. Naar de kern. Terug naar vroeger. Iedereen is op zijn eigen manier aan het zoeken naar een manier waarop voedsel - niet landbouw, maar specifiek voedsel - weer een plek kan krijgen in de samenleving.”

 

Aanjagen en verbinden

Een mooi voorbeeld hiervan is de AirportFarm. “KLM wil graag circulair worden. Dus gaan wij koffiedik uit de vliegtuigen inzamelen en daar gaan we paddenstoelen en oesterzwammen op telen, die we terug leveren aan de catering van KLM. Dit alles met dank aan leegstand, in ons buurtje. Hoe gaaf is dat?!”, vertelt Paul Bos enthousiast. Hij vervolgt: “Daarbij zijn de onderzoekers van de AirportFarm bezig met het produceren van mestkorrels uit de urine van passagiers op Schiphol. Die mestkorrels worden vanaf volgend jaar gebruikt op ons land.”

Ondertussen is er ook een platform van ‘pioniers’ gevormd genaamd ‘Bouwland’, waar Bos uiteraard deel van uitmaakt. “Wij proberen voortdurend als aanjager op te treden. Zo willen we de luchthaven Schiphol helpen, om een aantal opgaven te realiseren. We gaan bijvoorbeeld in samenwerking met boeren die olifantsgras telen, gewassen inzetten om ganzen rondom Schiphol te verjagen.”

Voor Paul Bos is de AirportFarm een manier om andere mensen op ideeën te brengen. En om mensen met nieuwe ideeën bij elkaar te brengen. “Je ziet dat er allemaal nieuwe connecties worden gemaakt. Dat is niet zozeer alleen door dit concept, maar ik heb geprobeerd een naam te geven aan wat er hier gebeurt. En dan vind ik ‘vooruit naar vroeger’ zeer toepasselijk.

 

In kaart brengen wat er al is

Want volgens Bos gaat het om teruggaan, maar wel met vooruitgang. Zijn pleidooi zou zijn, om de bestaande ruimte opnieuw te ordenen, aan de hand van de circulaire economie. Een voorbeeld: in China mag je met je stad pas uitbreiden, als je eerst de voedselvoorziening voor die uitbreiding hebt georganiseerd en gegarandeerd. Vandaar dat men hiervoor uitwijkt naar Afrika.

Dit is een interessant ordeningsprincipe, vindt Bos: “Zou Nederland bijvoorbeeld zelfvoorzienend kunnen zijn? Stel, we gaan uit van een nieuwe regel die verplicht dat er voor elk stukje stad of dorp dat er nu nog wordt bijgebouwd, de voedselvoorziening van de bewoners uit de buurt kan komen. Wij denken natuurlijk dat we niet zonder onze iPhone of iPad kunnen, maar waar we feitelijk geen dag zonder kunnen, is eten en vooral drinken. Laten we dus eens nadenken over de vraag of de ruimtelijke ordening gevoed zou kunnen worden door onze eigen opgave(n), als het gaat om voedsel. Dat gebeurt nog veel te weinig. Wij zijn het eerste en enige boerenbedrijf in heel Haarlemmermeer die aardappels gewoon rechtstreeks levert aan Schiphol. Voor de Vlaamse Frieten, nota bene. Maar zo normaal en algemeen geaccepteerd is het dus, dat eten van ver komt. En hoe bijzonder en uniek is dan deze regio, waar boeren én verstedelijking met elkaar samengaan en hun belangen verbinden.”

 

In kaart brengen wat er al is

Planmatig, vooraf bedachte ideeën ‘er zomaar instoppen’ werkt in ieder geval niet (meer), stelt Paul Bos. “Je moet de realiteit gaan veranderen. En je niet blijven bezighouden met dingen die toch niet kunnen. En dat gaat heel erg over wat Theo doet als fotograaf: in kaart brengen wat er is. Zodat je daar op voort kunt borduren, daaraan kunt verbinden. Dat is de grote opgave. Als we meer zien wat er al gebeurt in dit gebied, iets wat we ook doen met het platform Bouwland, dan denken mensen hopelijk: ‘Oh ik ben niet de enige!’. En dàn ontstaat er massa in de kleine projecten.”

 

Wim van der Lee

(procesmanager gemeente Haarlemmermeer)

Betrokken perspectief voor Hoofddorp Centraal

 

Wim van der Lee is degene die het proces rondom de ontwikkeling van Hoofddorp Centraal mag regisseren. Hij doet dit samen met een team van zeven professionals, allen zeer gedreven vanuit hun vakgebied en door enthousiasme voor dit ‘open proces’. Voordat hij richting Hoofddorp Centraal gaat, neemt Van der Lee een aanloopje door alle bezigheden rondom het proces in de tijd te plaatsen: “Toen deze prachtige polder nog echt een polder was, en de ideeën voor een station geboren werden, werd over maakbaarheid nogal eenvoudig gedacht. Je tekent het op de tekentafel en dat werkt, later kun je er luchtfoto van maken en dan lijkt het sprekend. Dat hebben we eigenlijk tot in den treuren heel erg netjes op die manier gedaan.

Dat planmatig bouwen, dat was toen ook nodig. En dus hebben we het vorm volgt functie principe tot in detail uitgewerkt en gebruikt, hetgeen heel veel verkeersbeweging heeft opgeleverd. Tot zover de moderne tijd, zoals deze tot voor kort zijn invloed had in de postmoderne tijd.”

 

Van toen naar nu

Tegenwoordig heeft iedereen een smartphone die ons verbindt met de wereld. Dat lijkt nu de normaalste zaak van de wereld, maar daardoor realiseren we ons niet dat tot een jaar of acht geleden informatie vooral het eigendom was van organisaties en bedrijven, zo zegt Wim van der Lee. “Het gegeven dat iedereen een heel harde duw heeft gekregen richting de digitale wereld en overal en nergens beschikking heeft tot informatie, is een heel belangrijke verandering. Bovendien gaan de digitale ontwikkelingen kei- en keihard. Nog steeds. Dat heeft tot gevolg, dat je overal kunt werken en dat je overal informatie vandaan kunt halen. En dat heeft weer effect op de ruimtelijke ordening. Want waarom zou je in hemelsnaam geld uitgeven aan een werkplek die je niet nodig hebt en waar je niet wilt zitten en waarvoor je eerst in de file moet staan om er überhaupt te komen? Zie hier een oorzaak van leegstaande kantoren. De voorwaarden om te kunnen werken, kan ik tegenwoordig immers overal vinden. Je tijdsbesteding en hoe je jezelf nuttig kunt maken voor de samenleving, ook al ben je aan het werk, die heb je zelf in de hand. Dat gegeven heeft heel veel losgemaakt.”

En er is nog iets anders aan de hand, stelt Van de Lee. “Ondertussen hebben we natuurlijk te maken gehad met een beurskrach. Waardoor er in de waanzin van geld beleggen en het ontwikkelen van vastgoed om dat geld maar in te kunnen beleggen een kentering is  gekomen. Tegelijk zijn we afscheid aan het nemen van de generatie die daar nog niet in mee wil gaan en tegensputtert. Kortom, de tijd is fundamenteel aan het veranderen. Zeker als het gaat over wie het waar voor het zeggen heeft.”

 

Organisch ontwikkelen

Vanuit dit perspectief doet Wim van der Lee kort uit de doeken wat er momenteel zoal gebeurt op, rond en voor Hoofddorp Centraal. Wat zijn ze hier nou eigenlijk aan het doen? “Voor 2008 waren we allemaal met integrale gebiedsontwikkeling bezig. Dat was allemaal zeer grootschalig; heel grote exploitaties die door één en dezelfde hand werden uitgevoerd”, aldus Van der Lee. “Die tijd is ook voorbij. We gaan veel meer op organische wijze ontwikkelen. Veel meer partijen worden betrokken, het gaat eenvoudiger en transparanter in zijn werk. Het wordt niet beschouwd als een afzonderlijk project maar als een open proces, waarbij je iedere keer een stapje neemt. En dat doe je dus niet alleen en niet op één dag.”

 

Volgens Van der Lee zijn we terechtgekomen in een situatie, tijdsperiode, waar orde en chaos ook in bestuurlijk opzicht door elkaar lopen. Het speelveld beweegt en improvisatie is soms noodzakelijk. Met een bruggetje naar de jazzmuziek, geeft Van der Lee aan dat zo’n improvisatie het best gefaciliteerd kan worden door, heel simpel eigenlijk, een aantal basisregels vast te stellen. Binnen die kaders kunnen mensen vervolgens excelleren doordat zij zelf invulling kunnen geven aan een vraagstuk of oplossing. “Zo pakken onze teamleden in dit spel van orde en chaos fantastisch hun rol”, verwijst hij naar zijn collega’s van het projectteam Hoofddorp Centraal. En over zijn eigen positie als leidinggevende zegt hij: “De tijd wil, dat ook bestuurders zich bewust zijn van het feit dat er meer meegepraat moet worden, dat er meer betrokkenheid nodig is van werknemers, teamleden, partijen van buiten de overheid. Al is het maar door als overheid minder op je bord te scheppen.”

 

Op lokaal niveau

Maar, wat hebben Wim en zijn team nu precies gedaan? Van der Lee: “We realiseerden ons, dat de ruimtelijke ordening in een andere vorm moest gaan plaatsvinden; helemaal op lokaal niveau, door met mensen uit de buurt te gaan praten. We hebben dus allereerst een analyse gemaakt van het netwerk van Hoofddorp Centraal. Welke groepen en individuele personen zijn hier betrokken? Dit hebben we uitgewerkt tot een klankbordgroep en die personen hebben we uitgenodigd. Dat betrekken van mensen, hebben we bewust via de nieuwe kanalen ingezet. Wie niet handig is met computers wordt geholpen, maar onze website staat centraal en is volledig transparant”, legt Van der Lee uit. “Met deze groepen betrokkenen hebben we vervolgens drie workshops gedaan. Hierbij gooiden we het even helemaal over een andere boeg. Dit keer was het eens niet: de gemeente vertelde en legde uit wat het belang is. Nee, wij als gemeente hebben de mensen gevraagd naar hun belangen, zorgen en wensen. Hiervoor hebben we al die partijen bij elkaar geroepen, zodat iedereen ook naar elkaar kon luisteren.

 

Drie kernopgaven

“We zijn gedurende drie avonden aan de slag gegaan met drie kernopgaven”, legt Wim van der Lee uit. “Ten eerste: het groene gebied tussen het centrum en het station. Dit haalt beide stadsdelen nu uit elkaar en moet juist gaan verbinden. En dan liever niet als vierbaansweg.  De tweede opgave, is de vraag of Hoofddorp nou een stad is of niet? Aan het eind van de rit is Hoofddorp onderdeel van de stadsregio Amsterdam. We moeten alle kansen pakken om hierbij te blijven horen. Alleen al daarom is een goed functionerend station, als knooppunt, van levensbelang.

Tot slot de derde opgave: Beukhorst, een pijnlijk punt. Het doet zeer dat dit gebied voor veertig procent leeg staat. Het vormgeven van Hoofddorp Centraal als knooppunt is ook hier een kans. Die nieuwe stad moet hier ontstaan, maar niet ten koste van de historische kwaliteiten.”

 

Gezamenlijke belangen

Over deze thema’s zijn de betrokkenen met elkaar in gesprek gegaan. Zo hebben zij met elkaar gepraat over ideaalbeelden voor bepaalde plekken”, vervolgt Van der Lee. “Wij benadrukten hierbij: vertel elkaar ook waarom je dit wilt. Waarom is dit ideaal? En die aanpak leidde tot een geweldig bruisende avond. Mensen ontdekten namelijk van elkaar dat ze, hoewel ze echt verschilden wat betreft ideaalbeelden, ze soms eigenlijk in de kern hetzelfde idee hadden. Tijdens die avond zijn er coalities geformeerd van mensen die vooraf echt niet van elkaar hadden gedacht dat ze dezelfde agenda en belangen zouden hebben.”

Wat vooral een belangrijk besef is, stelt Van der Lee, is dat het niet ophoudt na het meedenken. Daarna begint het pas, door met elkaar te kijken hoe een idee samen georganiseerd en gerealiseerd kan worden. Neem nu de tennisvereniging en de kinderboerderij die gezamenlijke plannen aan het maken zijn. Ze wisten van elkaar al jaren dat ze bestonden en bij elkaar in de buurt zaten. Maar ze hadden er nooit bij stilgestaan dat ze samen iets zouden kunnen ondernemen, in het belang van het park, van het bereiken en aantrekken van bezoekers. En zo hebben er talloze van dit soort kruisbestuivingen plaatsgevonden. Wij als gemeente moeten vervolgens de condities scheppen die ervoor zorgen deze ideeën en plannen ook een vervolg kunnen krijgen. Wellicht door iets te betekenen op het gebied van wet- en regelgeving, door die samenwerkingsverbanden te ondersteunen of (deels) te financieren”, besluit Wim van der Lee. “Samenwerken. Daar gaat het om bij Hoofddorp centraal. En iedereen kan nog steeds meedenken!”

 

Verslag Renee Hartog 2015

www.reneehartog.nl

 

Werklust wordt in de eerste helft van 2015 getoond als een werk in uitvoering in de vorm van: een album (deze ligt ter inzage bij ons), zes expertmeetings, een krant en een preview op Het Cultuurgebouw.

Meer informatie over het project vindt u op: www.werklust.nu

 

De reeks Werklust expertmeetings wordt vandaag afgesloten met een ‘fantastisch onderwerp’, aldus moderator Peter Oussoren. “Een vraagstuk dat alle aanwezigen hier aangaat en velen van ons bovendien behoorlijk bezighoudt. De afgelopen jaren worden gekenmerkt door een bepaalde verandering: de gemeente wordt steeds minder actief, de rijksoverheid doet steeds minder, wat blijft er dan over als speelveld? Ofwel: wie bewaakt de kwaliteit van de hoofdstructuren nu de overheid op Rijksniveau aan het decentraliseren is? Wat is de nieuwe rol van lagere overheden? Welke verbinding hebben verschillende partijen eigenlijk nog met elkaar als het gaat over visie en kwaliteitsbewaking in de ruimtelijke ordening? En vinden we dat erg? Of vinden we dat juist mooi? Het is hoe dan ook een enorme kans maar zeker ook een forse uitdaging.”

 

Partners